Annotatie: Oervaccin

Reclame Code Commissie (College van Beroep) 22 januari 2020

 

De discussie over “anti-vaxxers” is al jaren erg gepolariseerd. Door een teruglopende vaccinatiegraad en enkele lokale uitbraken van onder andere mazelen, is de toon in het debat scherper geworden. Dit debat zal met de ontdekking van een nieuw vaccin tegen COVID-19 een nog veel grotere lading krijgen.

Annotatie Reclame Code Commissie (College van Beroep) 22 januari 2020 Oervaccin

Gepubliceerd in Mediaforum 2020, nr. 26

De discussie over “anti-vaxxers” is al jaren erg gepolariseerd. Door een teruglopende vaccinatiegraad en enkele lokale uitbraken van onder andere mazelen, is de toon in het debat scherper geworden. Dit debat zal met de ontdekking van een nieuw vaccin tegen COVID-19 een nog veel grotere lading krijgen.

Aan de ene kant van het debat staat het belang van de bescherming van de volksgezondheid door middel van vaccinatieprogramma’s. Die programma’s werken alleen als een bepaalde vaccinatiegraad wordt behaald. De Wereldgezondheidsorganisatie waarschuwt daarom al jaren dat sprake is van een groot gevaar voor de volksgezondheid door het teruglopen van de vaccinatiegraad.  Zij ziet het twijfel zaaien over het nut van vaccinaties daarom als grote bedreiging. Aan de andere kant van het debat staan critici van vaccinaties – door hun tegenstanders vaak “anti-vaxxers” genoemd. Het kamp van de vaccinatietegenstanders bestaat veelal uit enkele personen die luid en duidelijk van zich laten horen. Daar achter staan vaak ook ouders die slechte ervaringen hebben gemaakt met het vaccineren van hun kinderen en die voelen dat zij in hun zorgen en eigen waarnemingen niet serieus worden.

Bekijkt men de argumenten van vaccinatietegenstanders, dan valt op dat deze in menig geval drijven op ‘confirmation bias’, de verwarring van correlaties met causaliteit, en soms onderdeel uitmaken van samenzweringstheorieën. Zij wijzen erop   dat door de farmaceutische industrie soms twijfelachtige onderzoeken worden gefinancierd en gepubliceerd, dat de wetenschappelijke onderbouwing van de effectiviteit van sommige vaccinaties niet sluitend is en dat bijwerkingen soms worden verzwegen. Zij trekken daaruit echter de conclusie dat geen enkel vaccin zou deugen, dat producenten en overheidsinstanties onbetrouwbaar zijn en dat vaccins gevaarlijk zijn.

Idealiter vindt er een open en transparant wetenschappelijk discours plaats over de werking van vaccins, kunnen studies worden gerepliceerd en bestaan er geen heilige huisjes. Door de vrije uitwisseling van gegevens en een vrij wetenschappelijk discours, komt de waarheid over de werking en bijwerkingen van een vaccin aan het licht. Zo kunnen eventuele confirmation bias of andere fouten in onderzoek worden ontdekt en negatieve gevolgen daarvan teniet worden gedaan. In de wetenschap gelden strikte spelregels die moeten waarborgen dat het discours wordt gevoerd op basis van bewezen feiten zoals het systeem van peer review en regels voor het uitvoeren van onderzoeken. Betekent dit dan dat het discours over vaccins enkel voorbehouden moet zijn aan  wetenschappers? Volgens de theorieën van de grondleggers van de vrijheid van meningsuiting zoals John Stuart Mill of Justice Brandeis is dit zeker niet het geval.[1] Zij meenden dat ook onjuiste informatie beschermd moet worden en dat door tegenspraak de waarheid zou zegevieren. De grens van de vrijheid van meningsuiting ligt daarom daar waar een uiting een bepaald niveau aan schade zou berokkenen aan de rechten of belangen van anderen.

 Dat critici dus een beroep kunnen doen op de vrijheid van meningsuiting staat buiten kijf en heeft ook een belangrijke functie. Soms worden fouten in wetenschappelijk onderzoek namelijk pas gecorrigeerd als na aanhoudende kritiek opnieuw wetenschappelijk onderzoek wordt gedaan.[2] De vraag is met name waar de grens van die vrijheid ligt. In hoeverre moeten critici zelf wetenschappelijke methodes erop nahouden? Moeten zij de waarheid spreken en dit (wetenschappelijk) kunnen aantonen? Mogen zij overdrijven? Mogen zij kritiek uiten op vaccinatiecampagnes of oproepen tot het afzien van vaccinaties, in reclamecampagnes of via social media? En mag een uiting verbieden?

In Nederland doet zich de bijzondere situatie voor dat de Reclame Code Commissie – een onafhankelijke zelfreguleringsorganisatie van de reclame industrie – geregeld uitspraak doet over publiekelijk zichtbare niet-commerciële uitingen van, onder andere, de critici van vaccinaties. Een ieder mag bij de RCC een klacht indienen, de RCC oordeelt vervolgens of de uiting in strijd is met de Nederlandse Reclame Code en doet, in het geval van denkbeelden, uitspraak in de vorm van een “vrijblijvend advies”. Een uitspraak van de RCC leidt daarmee niet tot een verbod. Wel zullen de veelal wettelijk verplicht aangesloten adverteerders de bewuste uitingen niet meer plaatsen als advertentie. De RCC rechtvaardigt haar eigen bevoegdheid tot het oordelen over niet commerciële uitingen of “denkbeelden” overigens met een beroep op haar eigen vrijheid van meningsuiting.[3]

In de onderhavige uitspraak van het College van Beroep van de RCC ging het om een uiting van de vaccinatie tegenstander Kees Faasse. Hij plaatste een spandoek op een aanhanger die was opgesteld langs wegen in de buurt van locaties waar de GGD met een vaccinatiebus vaccinatiecampagnes hield. “Vaccins verzieken de volksgezondheid” was er te lezen met verwijzing naar de website www.oevaccin.nl. Op die website is een verzameling van berichten te lezen met de strekking dat vaccins schadelijk en niet effectief zijn. De berichten suggereren dat het om wetenschappelijk onderbouwde kritiek gaat, er worden namen van artsen genoemd en er wordt wetenschappelijke terminologie gebruikt. Of bij de kritiek wetenschappelijke standaarden in acht zijn genomen, mag worden betwijfeld. De zaak voor het College van Beroep betrof echter alleen de specifieke uiting “Vaccins verzieken de volksgezondheid” en niet de website www.oervaccin.nl, al speelt de context uiteraard een rol bij het beoordelen van de uiting 

Het College oordeelt ten eerste dat sprake was van een adverteerder. Zij leidde dat af uit het feit dat de website was geregistreerd op de naam van een B.V., dat een betrokkene namens oervaccin heeft gereageerd op berichten van het College en dat op de website promotiemateriaal wordt verkocht voor medestanders. Zodoende is het College van oordeel dat geen sprake is van uitingen van een individuele consument.  Voorts oordeelt het College dat sprake is van reclame in de zin van artikel 1 van de NRC (“iedere openbare aanprijzing van denkbeelden door een adverteerder”). Duidelijk is dus dat artikel 1 NRC bijzonder verstrekkend is. Er hoeft geen sprake te zijn van een reclame in een bepaald medium dat verveelvoudigd wordt. In theorie zouden er zelfs uitingen van organisaties op demonstraties onder artikel 1 NRC kunnen vallen zoals “Zwarte Piet is Racisme” van Kick Out Zwarte Piet.

Vervolgens toetst het College de uiting aan de NRC, in het bijzonder artikel 4 NRC – de uiting vormt een bedreiging voor de volksgezondheid – en artikel 6 NRC – de uiting appelleert aan gevoelens van angst. De vraag is uiteraard of die beoordeling en het resultaat daarvan strijdig is met de vrijheid van meningsuiting van de heer Faasse.

Zoals reeds aangegeven valt de uiting “Vaccins verzieken de volksgezondheid” in principe onder de vrijheid van meningsuiting en geniet deze de bescherming van artikel 10 EVRM. Conform artikel 10 lid 2 EVRM zijn beperkingen van die vrijheid toelaatbaar mits de beperkingen noodzakelijk zijn in een democratische samenleving en er een dwingende sociale behoefte bestaat zoals bescherming van de (volks)gezondheid, of ter bescherming van de rechten van anderen (zoals bijvoorbeeld het recht op gezondheid). De beperking van de vrijheid van meningsuiting van de heer Faasse om de volksgezondheid te beschermen wordt dus als legitiem doel erkend. De vraag is vervolgens of die beperking noodzakelijk is in een democratische samenleving en of sprake is van een fair balance tussen het doel en het middel – het vrijblijvend advies van het College. Daarbij is met name van belang welk beschermingsniveau de bewuste uiting moet toekomen.

Ten eerste blijkt uit de jurisprudentie bij artikel 10 EVRM dat informatie die bijdraagt aan een publiek debat, zoals bijvoorbeeld over de volksgezondheid, een hoog beschermingsniveau geniet, terwijl zuiver commerciële uitingen slechts aanspraak kunnen maken op een betrekkelijk lager beschermingsniveau.[5] Ten tweede beschermt Artikel 10 EVRM niet alleen informatie die welgevallig is maar ook informatie die schokkend, beledigend of verontrustend kan zijn.[6] Dat moet dus ook gelden voor uitingen van vaccinatietegenstanders. Het verontrusten van het publiek mag per se  geen reden zijn voor beperking van de vrije meningsuiting.[7] Ten derde maakt het EHRM een duidelijk onderscheid tussen waardeoordelen, die zich niet laten bewijzen en feiten, waarbij een bepaalde mate van overdrijving toelaatbaar wordt geacht.[8] Een van de belangrijkste vragen in de beoordeling is dus of de uiting “Vaccins verzieken de volksgezondheid” een feitelijke uiting is of een waardeoordeel. Immers volgt uit de in voetnoot 9 genoemde uitspraken dat een (schadelijke) feitelijke uiting mag worden beperkt als deze geen feitelijke basis kent.  Dergelijke uitingen genieten dus geen hoog beschermingsniveau. In het kader van de discussie omtrent “fake news” en “filter bubbels”, die ook grenst aan het onderwerp van deze annotatie, geldt daarbij wel de kanttekening dat het verder verspreiden of bespreken van ontvangen informatie die naar alle waarschijnlijkheid niet waarheidsgetrouw is, volgens het EHRM alsnog niet mag worden beperkt, omdat burgers in principe het recht hebben om hun mening over via de media ontvangen berichten te verspreiden.[9]

Als een uiting daarentegen een waardeoordeel is, dan zou de eis van een (in feite onmogelijk) waarheidsbewijs per se in strijd zijn met artikel 10 EVRM[10], al stelt het EHRM wel de voorwaarde dat er een voldoende feitelijke basis moet bestaan voor een waardeoordeel.[11]

Het College gaat er zonder meer van  uit dat de uiting “Vaccinaties verzieken de volksgezondheid” het een feitelijke uiting betreft en onderzoekt dan ook vooral of er voldoende bewijs is voor de stelling dat vaccinaties schadelijk zijn voor de volksgezondheid. .

Appellant tracht het vereiste bewijs te leveren en voert een reeks argumenten en studies aan ter onderbouwing van de stelling dat vaccins schadelijk zijn. Het College doet ambtshalve onderzoek naar die stellingen en oordeelt dat appellant niet slaagt in het bewijs van de stelling dat vaccins schadelijk zijn voor de volksgezondheid.

In overweging 6 van de uitspraak stelt het College er nog een aanvullende eis. Het overweegt dat zelfs als er schadelijke effecten van vaccinaties zouden blijken, appellant zou moeten aantonen dat, geparafraseerd, bij vaccineren het doel – de bescherming tegen ernstige infectieziekten – ontbreekt of overbodig is. Het College kiest daarmee voor een letterlijke interpretatie van de overdreven uiting “Vaccineren verziekt de volksgezondheid”, namelijk ‘vaccineren is schadelijker dan niet vaccineren’ en zij eist bewijs hiervan. Deze horde is onmogelijk te nemen voor appellant.  

Uiteindelijk oordeelt het College dat het actief oproepen tot het afzien van vaccinaties door middel van de uiting het gevaar op ernstige infectieziekten laat toenemen, dat de uiting het publiek een irreële angst aanpraat voor vaccineren en dat deze daarmee gevaarlijk is voor de volksgezondheid. Het bevestigt de beslissing van de RCC, die appellant had aanbevolen om niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken.

De onderhavige zaak heeft een opvallende parallel met de reeds in noot 5 aangehaalde zaak Hertel. Hertel, een Zwitserse hobbyonderzoeker, had in de jaren ‘90 een research paper geschreven over de mogelijk kankerverwekkende en anderszins schadelijke effecten van magnetrons. Hij had dat paper opgestuurd naar het Journal Franz Weber, dat onder verwijzing naar het research paper een overdreven artikel publiceerde. Anders dan in de onderhavige zaak, pleitte Hertel zelf niet voor een verbod op magnetrons. Hij legde enkel een verband tussen magnetrons en mogelijke gezondheidsschade. Aan Hertel werd een publicatieverbod opgelegd dat tot in hoogste instantie in stand bleef. Het EHRM oordeelde dat sprake was van een schending van artikel 10 EVRM, vooral wegens de verstrekkende gevolgen van het verbod. Daarbij overwoog het EHRM als volgt: “It matters little that his opinion is a minority one and may appear to be devoid of merit since, in a sphere in which it is unlikely that any certainty exists, it would be particularly unreasonable to restrict freedom of expression only to generally accepted ideas.” (r.o. 50). Het EHRM bevestigde dus specifiek dat er ook op het terrein van de volksgezondheid ruimte moet zijn voor afwijkende informatie.

Enkele jaren later oordeelde het EHRM een tweede keer over dezelfde zaak. Dit naar aanleiding van een gewijzigde uitspraak van het Zwitserse Hooggerechtshof dat oordeelde dat Hertel zijn opvattingen mocht verspreiden mits hij niet de indruk zou wekken dat het om wetenschappelijk bewezen stellingen gaat. In dit tweede arrest oordeelde het EHRM dat geen sprake was van strijdigheid met artikel 10 EVRM, omdat het verbod niet verstrekkend was.[12]

Volgt men de redenering uit deze Hertel uitspraken, dan zou een verbod op publicaties van vaccinatietegenstanders niet snel geoorloofd zijn enkel omdat deze niet volledig waarheidsgetrouw zijn of niet volledig wetenschappelijk kunnen worden bewezen. In het concrete geval van de heer Faasse mag ook worden betwijfeld of de overdreven en generaliserende uiting “Vaccins verzieken de volksgezondheid” een puur feitelijke uiting is die vatbaar is voor bewijs, danwel of hier niet sprake is van een waardeoordeel.[13] De jurisprudentie van het EHRM laat vermoeden dan dit laatste het geval kan zijn.[14] Het antwoord hangt ervan af welke omstandigheden in de beoordeling worden meegewogen. Laat men meewegen dat op eenzelfde spandoek de uiting “Statines vreten je hersens op” is geplaatst en betrekt men de uitspraken op de website in de beoordeling, dan lijkt sprake te zijn van een feitelijke uiting. Alsnog zou dan gelden dat een bepaald niveau van overdrijving geoorloofd is.[15] De eis van een waarheidsbewijs voor de letterlijke interpretatie van een overdreven uiting – die het College in overweging 6 lijkt te stellen – is dan mogelijk niet in lijn met artikel 10 EVRM.

Beziet men de uiting echter als geïsoleerd geval, dan lijkt sprake zijn van een waardeoordeel en zou de eis van bewijs van dat waardeoordeel in strijd zijn met artikel 10 EVRM.

Betekent dit dat de uitspraak van het College, hoewel inhoudelijk en qua systematiek mogelijk niet volledig in lijn met de rechtspraak over artikel 10 EVRM, een schending van datzelfde artikel oplevert? De twee uitspraken tegen de hobby wetenschapper Hertel leren dat het antwoord op die vraag voor een groot deel te maken heeft met de impact die een dergelijke uitspraak teweeg kan brengen. In het geval van oervaccin.nl en de heer Faasse resulteerde de uitspraak in minder grote belemmeringen. Hij was immers niet gehouden aan de uitspraak van het College en kon op dezelfde voet verder gaan met het verspreiden van zijn opvattingen. Waar een organisatie een groot deel van haar budget zou willen gebruiken voor verspreiding van denkbeelden via advertenties, kan een uitspraak van het RCC er echter toe leiden dat adverteerders de uitingen niet meer publiceren. In dat geval heeft een uitspraak van het RCC een veel grotere impact en zou, afhankelijk van de concrete omstandigheden van een geval, sprake kunnen zijn van schending van artikel 10 EVRM. 

[1] J. S. Mill, On Liberty, Harmondsworth: Penguin Books 1986 (eerste publ. 1859). Justia U.S. Supreme Court Center, 274 U.S. 357, 1927 (Whitney v. California).

[2] R. Pierik, M. Verweij, De ongemakkelijke realiteit van de antivaccinatie-beweging, 2017 www. stukroodvlees.nl/.

[3] Vzr. Rb. Amsterdam 13 juni 2012, Mediaforum 2012-9/22 (Langweiler t. Stichting Reclame Code).

[4] EHRM 25 augustus 1998, ECLI:NL:XX:1998:AD5445, nr. 25181/94, NJ 1999/712 m.nt. E.J. Dommering (Hertel/Switzerland).

[5] EHRM 30 januari 2018, nr. 69317/14, IER 2018/35 m.nt. D. Haije en H.M.H. Speyart, Mediaforum 2018/7 m.nt. J.J.C. Kabel (Sekmadienis/Litouwen).

[6] EHRM (Plenair) 7 december 1976, ECLI:NL:XX:1976:AC0070, nr. 5493/72, NJ 1978/236, R.A. Lawson & H.G. Schermers, Leading Cases of the European Court of Human Rights: Nijmegen: Ars Aequi Libri 1997, p. 28 (Handyside/Verenigd Koninkrijk).

[7] Zie ook EHRM 28 juni 2001, ECLI:NL:XX:2001:AE2215, nr. 24699/94, NJ 2002/181, m.nt. E.J. Dommering (Verein gegen Tierfabriken/Switzerland).

[8] EHRM 24 februari 1997, ECLI:NL:XX:1997:AD4447, nr. 19983/92, NJ 1998/360, m.nt. E.J. Dommering (De Haes en Gijsels/België); EHRM 8 juli 1986, NJ 1987/901, m.nt. E.A. Alkema (Lingens/Oostenrijk).

[9] EHRM 6 september 2005, nr. 65518/01, NTM/NJCM-bull. 2006/696, m.nt. F. Kristen, r.o. 113, (Salov/Oekraine).

[10] EHRM 8 juli 1986, NJ 1987/901, m.nt. E.A. Alkema (Lingens/Oostenrijk).

[11] EHRM 12 juli 2001, nr. 29032/95, Mediaforum 2001/35, m.nt. A.J. Nieuwenhuis (Feldek/Slowakije).

[12] EHRM 17 januari 2002, nr. 53440/99, RJ&D ECHR 2002-I (Hertel/Switzerland II). Ook een verbod om specifiek een medicijn publiekelijk te veroordelen, waar andere medicijnen even gevaarlijk waren, leverde geen schending op van artikel 10 EVRM, EHRM 12 april 2001, nr. 43524/98 (Schweizerische Radio- und Fernsehgesellschaft (SRG)/Switzerland).  ZIJN ER NEDERLANDSE VINDPLAATSEN VOOR DEZE ARRESTEN – ik kan geen NL vindplaatsen vinden.

[13] Vgl. de in noot 11 aangehaalde zaak De Haes en Gijsels. Daarentegen is de uiting “Statines vreten je hersenen op”, die ook door de heer Faasse is gebruikt, uiteraard wel van feitelijke aard.

[14] EHRM 22 januari 2013, nr. 330501/04, r.o. 73 (OOO Ivpres et al./Rusland).

[15] EHRM 20 mei 1999, ECLI:NL:XX:AD3057, NJ 2001/61 m.nt E.J. Dommering (Bladet Tromso/Noorwegen).